Vereenvoudiging van kaderprogramma’s voor onderzoek
Het Kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor acties rond onderzoek, technologische ontwikkeling en bewijsvoering vormt een cruciaal instrument om onderzoek te ondersteunen en stimuleren en tegelijkertijd de Europese Ruimte voor Onderzoek (ERO) een stevigere basis te geven.
De deelname aan het kaderprogramma wordt echter als complex en op administratief bijzonder omslachtig ervaren, zowel voor de kandidaten als voor de begunstigden. Daar komt nog de complexiteit van het Europese onderzoekssysteem bij, waarin tal van specifieke programma’s en instrumenten naast elkaar bestaan, maar ook verschillende activiteitentypes die volgens verschillende regels worden uitgevoerd.
In het kader van de 7* PCRD (2007-2013) werden al vereenvoudigende maatregelen doorgevoerd om het programma doeltreffender en toegankelijker te maken. De administratieve en financiële procedures moeten echter nog verder vereenvoudigd worden, zodat de kaderprogramma’s aantrekkelijker kunnen worden voor de beste onderzoekers, de industrie en in het bijzonder de KMO’s. De grootste uitdaging ligt in het vinden van een evenwicht tussen vertrouwen en controle – een controle die onvermijdelijk is aangezien er openbare fondsen betrokken zijn.
Het Seminarie dat op 14 juli 2010 door het Belgische voorzitterschap werd georganiseerd was bedoeld om experts van verschillende achtergronden samen te brengen om over dit thema te praten en de vier vragen die tijdens deze namiddag werden besproken, te beantwoorden.
Dit zijn de belangrijkste besluiten van het Seminarie voor Vereenvoudiging van 14 juli:
Er moet een nieuw evenwicht worden gevonden tussen de vereiste van een gezond beheer van openbare fondsen en het vertrouwen waar de onderzoekers terecht op rekenen. We moeten rekening houden met het element van risico en onzekerheid, dat inherent is aan elke vorm van onderzoek. Daarom moeten we misschien omschakelen een aanpak op basis van kosten naar een aanpak op basis van resultaten. Hiervoor hebben we echter een duidelijke definitie nodig van het begrip resultaat op het vlak van onderzoek. Een te nauwe visie van dit begrijp zou er namelijk toe leiden dat minder risicovol onderzoek voorrang krijgt ten nadele van toponderzoek en innovatie. Dit criterium van wetenschappelijke uitmuntendheid zou echter moeten worden gepreciseerd en moet een centrale plaats behouden in de beoordeling van de resultaten.
De vereenvoudiging moet passen in een perspectief van leesbaarheid, coherentie en een stabiliteit van de regels.
Op basis van de voorstellen van de Europese Commissie werd een vrij brede consensus gevonden tussen de deelnemers van het seminarie over een aantal maatregelen die op korte termijn kunnen worden genomen, zonder dat de bestaande regels moeten worden aangepast.
Enkele voorbeelden:
1. de termijnen voor de beoordeling, onderhandeling en concrete contracten rond projecten, maar ook de betaaltermijnen verkorten
2. een uniforme interpretatie van de regels door alle Europese instellingen
3. de traceerbaarheid van de projecten verbeteren
4. het aantal ondersteunende documenten beperken en duidelijker maken (‘guidance documents’)
5. de computerinstrumenten vereenvoudigen, uniform en rationeel maken (portaalsite voor de deelnemers, rapporteringsinstrumenten enz.)
6. de verplichting van een specifieke bankrekening per project, die interesten moet opleveren, afschaffen
7. waken over de aanpasbaarheid van de omvang van de consortiums ten opzichte van de doelstellingen van de projecten
Er wordt ook benadrukt dat een tweede reeks maatregelen nog zou kunnen worden genomen binnen het huidige 7° Kaderprogramma, in het kader van het systeem dat op de kosten is gebaseerd:
- De kwestie van het aanvaardbare risico. Er moet een nieuw evenwichtspunt worden gedefinieerd tussen het foutencijfer dat inherent is aan de projecten en de beslommering van de controles. De tolereerbare foutenrisico zou op die manier tussen 2 en 5% moeten liggen, zoals de Commissie voorstelde. Een cijfer van 3,5% lijkt hierin een goed compromis te zijn.
- Rekening houden met de gewoonlijke boekhoudingpraktijken van de landen;
De kwestie van de certificaten voor methodologie en de gemiddelde personeelskosten werd besproken, maar hierover werd geen consensus gevonden.
Met betrekking tot het volgende Kaderprogramma toonde het seminarie aan dat er nood is aan een breed overleg over de exacte definitie van de financiering op basis van resultaten (“output-based funding”) en over hoe deze resultaten moeten worden gemeten. Hiervoor zullen we een stevige en consensuele methode nodig hebben. Er werd een ander concept – “science-based funding” – voorgesteld. Deze aanpak is gebaseerd op de wetenschap, waarbij rekening wordt gehouden met inspanningen die de onderzoekers hebben gedaan (waarbij de afwezigheid van een resultaat als een resultaat op zich wordt beschouwd).
Een andere maatregel voor het volgende Kaderprogramma zou ook de invoering van forfaits kunnen zijn (“lump sums”) voor de financiering van onderzoeksprojecten. Volgens de deelnemers van het seminarie kan een onvoorwaardelijke overgang naar een systeem met forfaits niet worden veralgemeend. Het kan een optie zijn op vrijwillige basis, op voorwaarde dat de forfaits zo dicht mogelijk bij de reële kosten blijven en conform zijn met de geldende nationale berekeningswijze. Het is echter belangrijk om de aanpak te differentiëren naargelang het type begunstigde (universiteit, onderzoekscentrum, klein of groot bedrijf, enz.).